Marnixring Leeuwercke Waregem

    Historiek Marnixring I MR Waregem I wie is wie I contact I informatie leden I terug


Georges Leroy prijs
______________

Georges Leroyprijs

reglement

Georges Leroy

prijsuitreiking 2019

winnende kortverhalen 2019

----------------------------

prijsuitreiking 2013

prijsuitreiking 2015

prijsuitreiking 2017

winnende kortverhalen 2015

winnende kortverhalen 2017

facebook

 

Hotel New York

Dat dit het begin was van iets nieuws, wisten we aanvankelijk niet. Hotel New York zag er sjofeler uit dan in onze verbeelding. De snoepjesroze gevel met in opzichtig rood de naam van het hotel vonden we alleen aanvaardbaar voor een budgethotel.
De motor bromde nog steeds, terwijl ik mijn autogordel los klikte. Ik zag hoe de koplampen de gigantische voorzijde van het hotel beschenen.
‘Precies een openluchtbioscoop,’ mompelde David.
‘Een doek met maar twee personages,’ vulde ik aan.
De autoraampjes gleden omlaag. David stak zijn arm naar buiten alsof hij de roes van de oude cinemabeleving bij ons naar binnen wilde halen, maar de lucht bleef leeg. We keken zwijgend voor ons uit met het gemak van geoefende stiltekunstenaars. Het was oktober en de zon had het oude haventerrein al de rug toegekeerd. Naast ons slenterden gezinnen voorbij met theaterprogramma’s in hun handen. Hun monden bewogen snel alsof ze alle klanken opaten en zo meer te vertellen hadden. Mijn handen bewogen naar mijn schoot waar tijdens de rit de reisgids lag.
‘Kom,’ zei David en hij haalde de sleutel uit het contact. Hij opende het portier en haalde twee grote weekendtassen uit de kofferbak. De wind strekte zich uit en liet David met de bagage heen en weer deinen als het zeil van een vlaggenstok. Ik keek naar hem alsof hij in een trailer van een rampenfilm meespeelde en de muziek tot een crescendo moest zwellen dat vervolgens uitbleef. Aan de andere kant van de parkeerplaats stopte een zwarte Toyota. Vader, moeder, twee kinderen en een hond hobbelden eruit.
‘We zouden een labrador kunnen nemen,’ bedacht ik hardop terwijl ik het reserveringsbewijs uit mijn handtas haalde. In rampenfilms waren nooit honden verwikkeld. David gaf me de kleinste weekendtas van de twee. Hij keek me even aan en gaf me een kus op mijn haren.

‘Hier,’ wenkte David. Hij had het bureau tot vlak voor het raam geschoven. Ik ging op het houten tafelblad zitten. David opende de gordijnen en de stad liet haar schaduwen op het water vallen alsof honderden mensen het licht hadden aangeknipt. Door de openstaande kier van het raam kwamen de havengeluiden de kamer op de tweede verdieping binnen.
‘Naar het schijnt vertrokken de mensen van hieruit naar Noord-Amerika,’ zei ik terwijl ik naar het schimmenspel op straat keek. Ik herinnerde me de sfeer die ik meteen voelde wanneer ik het hotel binnenstapte. Overal zijn hutkoffers als bijzettafeltjes neergezet en op de muren prijken oude foto’s van landverhuizers. Naast de smeedijzeren trap op het gelijkvloers was er zelfs een barbier.
‘Je voelt meteen dat hier vroeger alles gebeurde, dat deze plek nog steeds het middelpunt is tussen toen en nu,’ zegt David die in zijn tas rommelt. ‘Geniet nog maar wat van het uitzicht, ik neem ondertussen een douche.’
‘Prima,’ knikte ik zonder om te kijken. Ik hoorde hoe David de tv aanzette en daarna in de badkamer verdween. Het schemerde. De wind waaide over het water.
‘Vergeet je medicijnen niet,’ hoorde ik nog.
Ik wilde roepen dat ik mijn pillen al geslikt had, maar ik hoorde het water al tegen het gordijn spetteren. De weerman had het over een beginnende herfst en de eerste geelbruine kleuren die ons nog een poosje warm zouden houden. Ik dacht aan de herfst waarin David in een klein restaurant voor het eerst mijn hand had vastgehouden. Achter hem hing toen een filmposter waarop Clark Gable prijkte. Ik keek van de filmacteur naar de jongen op wie ik verliefd was en streelde met mijn duim de muis van zijn hand. Het leek nog niet zo lang geleden. Het leek alsof de mogelijkheid bestond dat Clark Gable de lijst van zich had afgegooid en ergens in een bar nu een sigaar zat te roken en dat die bar bijvoorbeeld in Hotel New York was. Als ik David misschien opnieuw zou zien zoals die avond, zouden we een nieuw begin kunnen maken.
Ik sloot de gordijnen en ritste mijn jeansbroek los. Mijn kledingstukken legde ik op een lege plank in de kast. David zeepte zijn borst in toen ik het gordijn opzij trok en bij hem in de douche stapte.
‘Kom,’ zei ik, ‘dan neem ik het even over.’
‘Dat doe je straks maar,’ antwoordde hij en hij trok me tegen zich aan. David was ongeveer even groot als ik en we pasten in elkaar als kinderspeelgoed. ‘Ik hou van je.’
Het water plensde over mijn hoofd. Ik bracht mijn vingertoppen naar mijn gezicht en ik zag ze zwart kleuren, uitgelopen mascara. David liet zijn handen over mijn borsten glijden.
‘Ik ben blij dat we hier zijn,’ zei hij vooraleer hij me kuste. Zijn handen omsloten mijn bovenarmen en zochten zich vervolgens een weg naar beneden. Vlug stopte ik zijn hand voor hij de littekens op mijn buik kon aanraken. Ik hoorde hoe de zaterdagavondfilm op tv begon, hoe de stemmen van de acteurs versmolten met die van David tot onhoorbaar  ruis. Ik hield mijn ogen open en ik wachtte tot de warmte zich vanuit mijn buik naar de rest van mijn lichaam zou verspreiden, maar het enige wat ik voelde waren de koude wandtegels tegen mijn rug.

De menukaart lag geopend op mijn knieën. Het water van de zuidoever tikte tegen de balustrade. Op het grasveldje naast het terras waar we zaten, zette een kleuter de spelregels uiteen. Het autootje mocht de rand van de picknickdeken niet raken, de oudste mocht beginnen, inhalen was verboden voor een stoplicht. Over winnen sprak hij niet. Davids handen hielden de camera vast. De sluiter klikte toen hij me vroeg om mijn tanden bloot te lachen.
‘Dit wordt een mooie foto,’ knikte de ober die de bestelling kwam opnemen. ‘De rivier is een prachtige achtergrond. En de dame ervoor is natuurlijk nog mooier.’
Ik voelde een blos naar mijn wangen stijgen en keek hoe de ene kleuter zijn broertje met een autootje op het hoofd sloeg. Blijkbaar waren de spelregels scherper dan ik aanvankelijk dacht.
‘Klopt het dat de mensen van hieruit vroeger naar Amerika emigreerden?’ vroeg David nadat hij twee glazen witte huiswijn had gevraagd.
De ober wees naar de overkant van het water. ‘De Pilgrim Fathers vertrokken vanaf de andere kant van de rivier inderdaad naar New York,’ vertelde de ober. ‘Gelukzoekers. Vroeger was dit geen hotel, maar het hoofdkantoor van de Holland Amerika Lijn. Alle schepen hadden de namen van steden.’
‘Namen van exotische bestemmingen?’ vroeg ik.
De ober schudde zijn hoofd. ‘Hollandse steden. Wanneer er winst mee gemoeid is, hoeven al die tierlantijntjes niet.’
Ik knikte teleurgesteld en de ober ging naar de bar. De  zon scheen in mijn ogen, ik kneep ze tot spleetjes om het voormalige directiegebouw van de Holland Amerika Lijn beter te kunnen zien. Het hotel spitste zijn twee torentjes. De hoge flatgebouwen stonden op een eindje afstand en lieten het gebouw alleen op de kop van de pier staan, alsof ze zo respect toonden voor zijn ouderdom. De smeedijzeren klok die onder een groen torentje hing, sloeg twaalf uur.
‘Ik vraag me af of de landverhuizers werkelijk gelukkig waren. Was het geluk maakbaar zoals ze dachten toen ze hier de overzet waagden?’
David antwoordde: ‘Je bent pas gelukkig als je vergeet dat je aanwezig bent, geloof ik.’ Zijn vingers zochten de mijne. Hij bleef praten, zijn woorden vormden kringen in de lucht als sigarettenrook. De pijn drukte zich tegen de wand van mijn buik.
‘Waarom zeg je niet iets simpels?’ vroeg ik. ‘Waarom antwoord je niet met iets dat je in een documentaire hebt gezien? Iets dat iedereen voor waar aanneemt?’
David drukte zijn lippen op elkaar. Ik keek van hem weg naar het water alsof ik verwachtte een ijsberg te zien.

Toen ik ’s nachts wakker werd, zag ik David op de schrijftafel zitten. Zijn voeten bungelden over de rand. We hadden het gordijn sinds die eerste avond niet meer dichtgedaan en het verkeer bleef zich door de straten manoeuvreren alsof er geen plaats en tijd bestond. Ik ging naast David zitten. De spijlen van de brug glansden in het kunstlicht. Vanaf deze plaats toonde de stad zich anders. Een man liet zijn hond uit. Een meisje fietste met een hand op haar been voorbij zodat de laatavondwind haar rok niet kon doen opwaaien. Davids been schoof tegen het mijne. Hij voelde koud aan.
‘Louise,’ zei hij, ‘zo kan het niet verder.’
‘Nee,’ beaamde ik. ‘Het spijt me.’ De ruziënde broertjes op het picknickveld doken weer in mijn herinnering op en ik stelde me voor dat ik hun tranen opving. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en zag hun lijfjes voor mijn netvlies kleiner en kleiner worden totdat ze in mijn buik zouden passen en daar weer zouden kunnen groeien. Ik omklemde mijn knieën en begon te rillen. David stond recht en legde een badhanddoek over mijn blote schouders. Zo bleven we zitten tot de lucht zich samenvouwde boven het water.
‘Laten we gaan slapen,’ zei ik. David ging op zijn rug liggen en trok me tegen zich aan. Hij schoof mijn topje naar boven en legde zijn hand op mijn buik waar de gladde huid ophield. Stil bleef ik liggen tot hij in slaap viel. Toen ik weer naar mijn kant van het bed gedraaid was, droomde ik dat David en ik inscheepten naar New York. In onze kajuit lag er goud dat we niet mochten aanraken. Toen het schip zonk, gooide David de goudklompen overboord en ik klampte me aan hem vast met een gelukzalig gevoel waarvan ik wakker werd.

Naam: Charlene Winne